De immanente inefficiëntie van de overheidOverheidsbeslag In de huidige samenleving neemt de overheid vele taken op zich zoals justitie, politie, defensie, sociale zekerheid, gezondheidszorg, onderwijs, infrastructuur, openbaar vervoer, milieubescherming, voedselveiligheid, cultuur, enzovoort. Om al die taken uit te voeren, heeft ze natuurlijk middelen nodig en daarvoor legt ze in België beslag op 54% van het bruto binnenlands product (BBP). Dat is ver boven het gemiddelde van de OESO-landen dat 44% bedraagt. De roep, of beter gezegd de druk om de overheden in België af te slanken, neemt dan ook toe. Door de tegenvallende conjunctuur en de groeivertraging van de afgelopen maanden dreigt/is er een zwaar tekort op de (federale) begroting terwijl de openbare financiën stilaan ook structureel onder zware spanning beginnen te staan door de kosten van de vergrijzing. Een slankere overheid is ook noodzakelijk om de fiscale en parafiscale druk op arbeid en ondernemen te verlagen. Dat is dan weer nodig om de concurrentiekracht van de Belgische bedrijven te vrijwaren of te verbeteren, zeker nu de toenemende inflatie de loonkosten (door het systeem van automatische loonindexering) relatief sneller doet stijgen. |
Maar houden een lagere (para)fiscale druk en slankere overheid niet het risico in dat de overheid haar belangrijke taken niet langer kan vervullen? Dat is niet noodzakelijk zo indien de overheid erin slaagt om efficiënter te gaan werken. Zo is er meer mogelijk met minder middelen. Het einddoel is om de omvang van de overheid op het optimale niveau te brengen. Volgens een studie van prof.em. Wim Moesen (KU Leuven) bedraagt die voor België 43,7% van het BBP. Het is een genuanceerde doelstelling die rekening houdt met de openheid van de economie en het sociale weefsel (gezinsgrootte). Om die doelstelling te halen, wordt geen brute afbouw voorgesteld, maar een efficiëntieslag die toelaat om de overheidsdiensten mogelijk te maken aan lagere kosten. Als de inspanning wordt gespreid over twee legislaturen (2011-2019) mogen de overheidsuitgaven even snel stijgen als de inflatie.
Bedrijfsmatige aanpak zonder marktwerking?
Ook door de verbetering van bedrijfsprocessen kan de overheid haar beslag doen afnemen. Maatregelen zoals de herziening van aankoopprocedures van goederen en diensten of de interne mobiliteit van ambtenaren, passen in dergelijke strategie. Zowel in de fase van beleidsvoorbereiding als bij de eigenlijke dienstverlening aan de burger kan efficiënter worden gewerkt. Dit kan met behulp van bedrijfsmatige instrumenten zoals transparantere financiële rapportage, prestatie-indicatoren, benchmarking en audits. Ook de toezichtfunctie van de overheid kan op basis van het vertrouwensprincipe beperkter worden opgevat.
Deze maatregelen moeten het aantal ambtenaren op het Europese niveau brengen (d.i. 70.000 ambtenaren minder) zonder dat de dienstverlening aan kwaliteit inboet.
De vraag is echter of een bedrijfsmatige aanpak van de overheid wel kan werken. Louter methodologisch stelt zich het probleem dat de waarde van een overheidsdienst niet kan berekend worden.
Aan de hand van prestatie-indicatoren kan een overheidsdienst wel bewijzen van heel technisch efficiënt te werken, maar zorgen al deze diensten wel voor een aanbod, waarop de burgers zitten te wachten? Door het ontbreken van de marktwerking zijn er immers geen prijzen die de waardering van de klanten voor de verschillende overheidsdiensten uitdrukken.
Er bestaat nu eenmaal geen markteconomische logica van vraag en aanbod die bv. bij een beleidsdomein als defensie de keuze voor meer tanks boven pakweg nieuwe helikopters objectief meetbaar maakt.
Een technisch-efficiënte overheid is dus in principe haalbaar, maar een economisch-efficiënte overheid d.w.z. die de welvaart van het land maximeert, is een illusie. Een overheid kan namelijk op heel technisch-efficiënte wijze diensten aanbieden die niet of nauwelijks gewenst zijn.
Epiloog
Aangezien de overheid - alle bedrijfsmatige ingrepen ten spijt - van nature economisch inefficiënt is, dient het debat rond de optimale omvang van de overheid op een heel andere manier gevoerd te worden. Uitgangspunt moet zijn dat in financieel-economische onzekere tijden als vandaag bepaalde overheidstaken moeten worden afgestoten. Wat in het commerciële circuit kan tot stand komen, mag de overheid eenvoudig weg niet meer tot haar takenpakket rekenen. 'Vadertje staat' dient dus - zoals het een goede huisvader betaamt - naar een aantal kernopdrachten terug te plooien, waardoor de beperking van het overheidsbeslag tot 44% realistisch wordt.
Lode Vereeck, fractieleider Vlaams Parlement










/img>



Reacties